door Leo Leunissen
Waar anderen soms geen weet hebben van het werk van hun vader, groeiden wij op in dagelijkse wisselwerking met het werk van pap. Wij waren omringd door melkbussen, flessen, kratten en dozen. De zuivelopslag (het melkhok) hoorde bij het huis zoals de keuken en de gang. Voordat de wekker afliep werd je al gewekt door het rammelend geluid van de ijzeren kratten die de mannen van de melkfabriek ‘s nachts op de stoep voor het huis neerzetten.
Melkboer waren wij met zijn allen, groot en klein. Dan weer wat op afstand, dan weer intensief. Was je na schooltijd aan het spelen met vriendjes, dan kon het spel zo onderbroken worden door een broertje of zusje die je kwam halen, de melkwagen moest worden uitgeruimd, of de flessen gesorteerd. Wat konden we jaloers zijn op de kinderen van bakker Cloodt: die hadden geen lege flessen om op te ruimen of zware kratten te sjouwen.
In de schoolvakanties en op de vrije zaterdagmiddag was het regel dat wij om beurten met pap mee gingen. Of het nu warm of koud was, regen of sneeuw, het ging altijd door.
Pap is een paar keer langere tijd niet in staat geweest om te werken. Een keer als gevolg van een gemene wespensteek in zijn arm en een keer vanwege een aanrijding. Als broers werden we in een wisselend schema ingedeeld om de taak van pap zo en zo kwaad als het ging over te nemen. De arbeidsongeschiktheid van pap vond plaats tijdens de schoolperiode, dus we moesten vrij vragen, of beter gezegd, aan de meester vertellen dat wij niet naar school konden komen omdat wij moesten werken.
Wij waren op de ‘hoogtijdagen’ met elf kinderen tegelijk thuis en wie tot de schoolgaande jeugd hoorde werd ingeschakeld bij het werk. Uitgezonderd waren de twee oudste meisjes, Rosa en Annelies. Zij waren de vaste hulpen van mam bij het runnen van het huishouden en het opvoeden van de jongsten. De jongste drie meisjes, Bertie, Maria en Annie zouden later, toen het gezin al wat uitgedund was en de jongens het huis uit waren, ook hun aandeel leveren, maar dan wel luxe, met de Spijkstaal Elektro als vervoermiddel.
Molenberg
Naast het helpen van pap met de route, was er nog het bezorgen van boodschappen naar klanten die buiten de route woonden, familieleden of bekenden van vroeger. Het ging dan om houdbare zaken zoals margarine. Zo moest ik jarenlang op de fiets naar tant Lieske op de Molenberg met een doos Liscoop margarine achter op de bagagedrager. Om de weg af te korten ging ik bij de Caumermolen de weg direct omhoog, een zware klim die werd goedgemaakt door de koekjes die tant Lieske altijd had klaar staan. Ook moesten vaak boodschappen nabezorgd worden, speciaal rond de feestdagen. Dat ging allemaal op de fiets, zonder versnellingen. En als je pech had ging het helemaal tot het eind van de Valkenburgerweg in Heerlen.
Rozenkrans
Wij hadden geen winkel, alleen opslag, maar toch waren er dagelijks klanten die langs kwamen om een (vergeten) boodschap te doen. Zij liepen achterom en klopten op het raam. Sommigen kwamen enkele keren per dag langs. Er waren een paar heel goede klanten bij, mijnwerkersgezinnen met opgroeiende jongens die wel wat konden verstouwen. Dus daar werd bij ons niet over geklaagd. In bepaalde perioden kwam het ons kinderen goed uit als ‘s avonds op het raam werd geklopt. Dat was in mei en oktober als we in de woonkamer de rozenkrans baden, over een stoelzitting gebogen met blote knieën op de grond. Als er een klant aanklopte wilden wij maar al te graag helpen, want dan kon je even je knieën vrij maken van dat pijnlijke draad van de kokosmat.
Als ik aan de melkzaak terugdenk springt bij mij, behorend tot de midden-generatie van het gezin, de tijd eruit van voor de wijksanering (zie voetnoot). Dat was ook de tijd van paard en wagen. De oude route liep vanaf de Keerberg, de Pontstraat in Kunrade, de Heerlerweg, zo naar Heerlen: de Valenburgerweg stukje Kruisstraat, Laanderstraat, het Einkenderveld, de Huuskes (officieel Huskens Kolonie, zie voetnoot), en via Tenesschen naar Voerendaal. Daarnaast had pap nog een aantal klanten aan de andere kant van Voerendaal, richting de Tenelenweg, waar hij na afloop van de route met de bakfiets bezorgde.
Tenesschen
Voerendaal ligt geologisch in een kom en de route ging deels over de randen van die kom. Het paard moest in staat zijn de melkkar heuvels op te trekken en de wegen met vals plat. Er was gelukkig maar één echt steile heuvel, bergaf, maar wel een van de buitencategorie. Het was de weg van Tenesschen naar de Putterweg in Voerendaal. Ik weet niet hoe die weg nu is, maar toen was hij zo steil dat de remmen vol aangedraaid moesten worden om te voorkomen dat Frits gelanceerd werd door de kar achter hem. Was het nat weer dan gleden de remblokken makkelijk over de ijzeren wielbanden en moest pap Frits zo goed mogelijk in bedwang zien te houden. In de winter als sneeuwijs op de weg lag was het extra spannend. Dan moest de sneeuwprut eerst van de remblokken afgeveegd worden voordat we bergafwaarts konden gaan.
Van de winters herinner ik me niet alleen het gedoe met de remmen maar ook de akelige avonden met karige, spookachtige verlichting op en rond de kar. Straatverlichting was in die tijd spaarzaam. Alleen op kruispunten stond een enkele straatlantaarn, voor de rest was het pikkedonker. En de verlichting op de kar was bepaald niet verblindend: twee kaarslantaarns (pap had het altijd over luchters) aan weerszijden van de bok en een lantaarn achterop aan de linkerkant, dat was alles. En het was altijd maar hopen dat achteropkomend verkeer ons in het donker op tijd opmerkte.
Trein
In de goede oude tijd was er nog een andere hindernis van formaat: het treinviaduct op de lijn Heerlen-Sittard nabij de Huuskes kolonie. Ik weet nu dat paarden van nature schichtig zijn maar als kind hadden we daar geen weet van. We hadden alleen ervaring met Frits die het normaal altijd braaf deed en rustig van huis naar huis de kar voort trok.
Maar voor het spoorviaduct op weg naar de Huuskes was het altijd spannend. Als er een trein kwam werd Frits angstig en opgewonden. De kunst was om de komst van de trein goed in te schatten en op tijd – Frits, Huu! – af te remmen tot de trein voorbij was. Meestal ging dat goed, maar niet altijd. Soms was Frits al te opgewonden om hem nog in bedwang te houden. Andere keren had je gemist dat er nog een trein van de andere kant kwam. Dan kon Frits als een furie ervandoor gaan en mocht je hopen dat er geen verkeer was op de weg en het paard tot bedaren kwam voor de Huuskes bereikt was. Voor zover ik weet is er nooit een echt ongeluk gebeurd daar bij de Huuskes, maar je was altijd blij dat je het viaduct voorbij was.
Kermis
Waar Frits echt niet tegen kon was kermis, een draaiende kermis wel te verstaan. Al die mensen, schetterende geluiden en harde stemmen door luidsprekers en felle, draaiende kleuren. Op de gewone route kwamen we gelukkig nooit een kermis tegen, maar in Voerendaal moesten we soms over het kermisterrein op het Kerkplein, vermoedelijk voor een bezorging bij een van de bakkers. Op de heenweg ging dat meestal goed, dan was de kermis nog niet open of nog niet op gang gekomen. Maar op de terugweg, als de kermis volop draaide, kon Frits in paniek raken. Hij raakte dan buiten zichzelf, sloeg op hol met kar en inzittenden wild achter zich aanslepend en kwam pas straten verder tot stilstand. Pap is verschillende keren gewond geraakt bij pogingen Frits af te stoppen door aan de leidsels te gaan hangen. Gelukkig waren er in mijn herinnering ook altijd wel stoere dorpsgenoten die hielpen met Frits tegen te houden. Echte ongelukken of zwaargewonden kan ik mij niet herinneren. Een godswonder.
Het Friese paard Frits heeft tientallen jaren de kar getrokken, die zeker aan het begin van de route, als de wagen nog vol was, zwaar moet zijn geweest. Volgens mij was niemand van ons kinderen vertrouwd met Frits. Wij aaiden hem misschien wel eens, gaven hem onderweg een stuk brood, maar op stal zetten, uitlaten in de wei, inspannen of uitspannen, dat was het werk van pap. Pap heeft nooit geprobeerd ons vertrouwd te maken met het verzorgen van Frits. Hij verbood ons zelfs de paardenstal in te gaan als Frits er stond. Het paard zou kunnen schrikken als je vanachter kwam en je kunnen trappen.
Glorietijd
Pap had voor op zijn melkkar een bord laten maken, ik denk door nonk Huub Meessen uit de Pontstraat die immers een vaardige amateurschilder was. Het was een ijzeren plaat, zwarte achtergrond en witte letters met daarop, L. Leunissen, zuivelhandel’. Dat vond ik wel iets hebben. Zuivelhandel was meer dan melkboer, en zeker meer dan melkventer of melkbezorger.
Onze jeugd – in de jaren vijftig, zestig en halverwege de zeventig – was de glorietijd van de kleine middenstander, die voor een belangrijk deel de klant bediende door huis aan huis te bezorgen. De rollen waren traditioneel verdeeld. De mannen gingen naar het werk buitenshuis en de vrouwen waren thuis om het huishouden te doen, de kinderen te verzorgen en de boodschappen te doen via de bezorgers. Ons dorp, Voerendaal en Kunrade, met samen een paar duizend inwoners had zes of zeven bakkers, diverse groenteboeren en zes of zeven melkboeren. De kwaliteit van de middenstander werd voor een belangrijk deel bepaald door de manier waarop je contact onderhield met je klant. Of ze je mochten, of ze je de klandizie gunden. Er waren melkboeren genoeg in Voerendaal (zie voetnoot) en waarom zouden mensen klant zijn bij jou?
Terugkijkend zie ik dat pap een meester was in het omgaan met klanten. Hij had een goed oog voor de wensen van de klant. Bij elk adres wist hij wat zo ongeveer gewenst was, maakte een inschatting van wat de klant misschien als extraatje zou willen en deed de verwachte boodschappen in het flessendraagrekje. Aan de deur maakte hij dan een praatje met de klant, leverde af wat hij bij zich had en bracht daarna de rest. Op dat moment kwamen wij kinderen als helpers in beeld. Het spaarde pap, zeker bij de villa’s aan de Valkenburgerweg, vaak wel honderd meters lopen als het kind van dienst even die boodschappen kon nabezorgen. Wij mochten ook wel bij klanten aanbellen als we mee waren, maar veel klanten wilde hij toch het liefst zelf eerst spreken.
Vertrouwd
Melkbezorger in die tijd is niet te vergelijken met de pakjesbezorger van nu. Het ging om het opbouwen van een relatie en niet om zo snel mogelijk iets af te leveren. Dat was ook het verschil tussen pap en ons toen wij hem vervingen tijdens zijn arbeidsongeschiktheid. Wij waren er trots op hoe snel wij de route konden doen, maar hadden niet in de gaten waar het echt om ging. Voor veel klanten was het bezoek van de melkboer een welkome onderbreking van de dag, een goede buur die een praatje maakt, een oude kennis die een herinnering ophaalt en soms een buddy die een handje toestak als het nodig was. Bij sommige oudere klanten was pap degene die de vuilnisbak aan de straat zette. Hij was een vertrouwd contact met de buitenwereld en met de wereld van vroeger.
In dit netwerk van warme, betekenisvolle relaties was het vanzelfsprekend dat wij van alles kregen van de klanten. Niet alleen waren er vaak kleine presentjes als een sigaret, een sigaar, een chocolade paasei met Pasen voor pap of voor ons kinderen als we mee waren, ook was er oud brood voor Frits en schillen voor de varkens, die we achter in een stal hielden. Daarnaast kregen we van bepaalde klanten vaak goede, gebruikte kleren of schoenen. De kringloopwinkel was nog lang niet in beeld en wij kregen op die manier spullen van het soort dat normaal buiten ons gezichtsveld viel Van sommige klanten kregen we tijdschriften en magazines, oh hoe heerlijk was dat. Ook kwamen er telkens stapels van dagblad de Telegraaf naar de Keerberg, waar ik als klein jongetje alle grote misdaadverslagen uitknipte en verzamelde omdat ik later immers bij de FBI of Scotland Yard ging werken. Van de strapatsen van Maffiabaas Lucky Luciano had ik al vroeg dikke dossiers aangelegd op de zolderkamer, handig voor later.
Geliefd
Hoe geliefd pap was merkten we bij de afscheidsreceptie waarvan nu, in 2026, het 50 jarig jubileum wordt gevierd. Klanten waren tot tranen geroerd. Wat hebben jullie een fijne (schoon)vader, wat is dat een goed mens, wat zullen wij hem missen, werd ons van verschillende kanten toegefluisterd. De meesten van ons waren verrast door deze blijk van diepgaande genegenheid. Wij kenden pap toch vooral als een dominante baas, die weinig tegenspraak duldde, die stuurs of boos werd als afgeweken werd van vertrouwde gewoontes en die voor zijn kinderen nauwelijks tijd had voor een persoonlijk gesprek. Voor de drie jongste meisjes is, denk ik, het beeld van pap anders geweest. Hij is met de jaren milder geworden en eerlijk gezegd zal er een druk van hem zijn afgevallen toen het gros van de kinderen uit huis was.
Taalgebruik
De klantgerichte aanpak van pap kwam ook tot uiting in zijn taalgebruik. Hij paste zijn eigen taal aan bij die van de klant. Sprak een klant Duits dan deed hij zijn best om goed Duits terug te spreken, sprak die klant ‘hooghollands’ dan deed hij dat ook. Zelfs in dialecten had hij de neiging woorden te kiezen passend bij het dialect van de klant. Ik vond het fascinerend, maar ook wel gênant, dat aanpassen aan de ander. Eens had die aanpas-neiging hem in het nauw gebracht. Dat was in de oorlog, in de Huuskes Kolonie, vertelde hij vele jaren later. Op weg naar een klant werd hij door een hond vervaarlijk aangeblaft. Om hem stil te krijgen riep hij verschillende keren hard naar die hond ‘Halt die Schnauze’. Tot hij zich realiseerde het de hond van een NSB-er was en dat die kon denken dat hij het tegen hem had.
Bewondering
De winden van de herinnering hebben de neiging om scherpe kanten van pijnlijke ervaringen te verzachten, zo ongeveer heeft de Italiaanse schrijver Mauro Corona, die zulke mooie verhalen over zijn zware jeugd in de Italiaanse bergen heeft geschreven. En ik ben mij bij het opschrijven van deze herinneringen bewust van die winden. Maar herinneringen ophalen is anders dan geschiedschrijving, waar alles feitelijk moet kloppen. Stil staan bij onze ervaringen helpen de rijkdom te zien van de omgeving waarin we zijn opgegroeid en verbinden de persoon-op-leeftijd die we nu zijn met onze jongere ik. Het opschrijven van het verhaal is een terugreis in de tijd, niet geheel onaangenaam voor mij, en ik hoop voor de broers en zussen die hebben bijgedragen aan dit verhaal hetzelfde. Ik heb voor het eerst mijn jeugd met liefde en compassie onder ogen gezien.
Merkwaardig genoeg voelde ik als eerste groeiende bewondering opkomen voor het Friese paard Frits, die in mijn herinnering geen dag heeft verzaakt, nooit ziek is geweest, altijd weer die zware last op zich nam, en nooit een mens kwaad heeft gedaan. De man van nu heeft spijt dat de jongen van toen nooit dank of bewondering heeft laten blijken voor het belangrijk werk van dat nobele wezen. Ook is in mij bewondering gegroeid voor pap, die dag in dag uit lange dagen maakte, onverstoorbaar zijn zware werk verrichtte en voor klanten altijd vriendelijk en behulpzaam was.
En mam dan?
Toen ik zo ongeveer klaar was met dit verhaal ontdekte ik tot mijn schrik dat onze moeder nergens in dit verhaal voorkomt. Hoe kon dat nu en moest ik niet een manier vinden om mam er een plaats in te geven? Zij was immers degene die in huis de toeverlaat was voor ons kinderen en haar warmte, die zij van overgrootmoeder Sanders (Kleine Oma) en oma Schoenmaekers had geërfd, weer naar ons door ons had laten stromen.
Totdat ik me realiseerde dat dit verhaal geen totaalportret pretendeert te zijn van hoe het was als kind te leven in de rijke roomse tijd of kind in een groot gezin. Het beperkt zich tot dat specifieke deel waarin we in onze gemeenschap bijzonder waren: kinderen van de melkboer in de glorietijd van de middenstand. Hoe wij melkboer waren met zijn allen.
Pieterburen, juli 2026
Voetnoten
Huuskes of Huskens
Huskenskolonie of Husken Kolonie (wij spraken altijd van Huuskes) was een voormalige mijnwerkerskolonie gebouwd rond 1922 in Vrank, gemeente Heerlen. Deze wijk bood huisvesting aan mijnwerkers van de nabijgelegen steenkolenmijnen. De wijk is inmiddels afgebroken en op deze locatie bevindt zich nu de moderne woonwijk Nieuw Husken / Zeswegen (Historisch Centrum Limburg).
Wijksanering
De wijksanering had als doel de wildgroei van elkaar beconcurrerende melkboeren in te dammen door sanering van de melkwijken in logisch aaneengesloten straten. Vanaf de jaren vijftig werd de sanering langzaam over het hele land doorgezet. De wijksanering waar wij onder vielen vond plaats begin jaren zestig.
Melkboeren in Voerendaal
Andere melkboeren dan Leunissen waren in Voerendaal-dorp Lipperts bij de Molenbeekstraat en Hoenjet op de hoek Laurentiusplein/ Tenelenweg. In Kunrade had je Rohen aan de Heerlerweg, Sjef Kicken aan de Kunderbergstraat, Alfred Senden op de Hogeweg, waar buurjongen Jean van Aken als venter werkte, en melkboer Ubags Heerlerweg, later Lindeweg..
Geef een reactie